Ergens in een Zwitserse berg ligt goud opgeslagen. Niet een beetje, maar enorme hoeveelheden. Staven, genummerd, bewaakt. De Swiss reserve. Dat beeld alleen al roept de vraag op: waarom doen we dit eigenlijk?
We delven goud uit de grond, met veel moeite en kosten, om het vervolgens weer onder de grond te stoppen. Het ligt daar niet te glanzen, het doet niets. Je kunt er een ring van smeden, en ja, het wordt gebruikt in elektronica en chips, maar laten we eerlijk zijn: dát verklaart niet waarom de goudprijs de afgelopen periode zo hard is gestegen.
Toch gebeurt het. En steeds weer op hetzelfde moment: als het onrustig wordt.
Dat zegt iets over wat goud wél is — en vooral over wat andere vormen van vermogen blijkbaar níét zijn.
Goud is geen productief bezit. Het levert geen rente op, geen dividend, geen groei. In tegenstelling tot aandelen of obligaties belooft het je helemaal niets. En juist dat maakt het interessant. Een euro is uiteindelijk een belofte van een centrale bank. Een staatsobligatie is een belofte van een overheid. Zelfs geld op de bank is een vordering binnen een financieel systeem dat moet blijven functioneren.
Goud staat daar los van. Het is geen claim op iemand anders. Het hangt niet af van beleid, van geloofwaardigheid, van begrotingsdiscipline. Het is er gewoon. Dat klinkt banaal, maar in tijden van onzekerheid blijkt dat een zeldzame eigenschap.
De stijgende goudprijs is dan ook minder een verhaal over goud zelf dan over twijfel. Twijfel over valuta, over schulden, over instituties. Als inflatie oploopt, geopolitieke spanningen toenemen of overheidsschulden uit de hand lopen, verschuift de vraag. Niet: wat levert iets op? maar: wat overleeft dit allemaal?
Dat verklaart ook waarom goud vaak wordt weggezet als een slechte belegging, maar tegelijk massaal wordt gekocht. Vanuit rendementsoogpunt klopt die kritiek. Goud groeit niet mee met de economie. Het wordt niet productiever. Het innoveert niet.
In die zin heeft Warren Buffett een punt wanneer hij zegt dat goud “niets doet”. Hij verkiest bedrijven die waarde creëren boven een klomp metaal die je bewaart in de hoop dat iemand anders er later meer voor wil betalen. Buffett gebruikt een vergelijkbare redenering om crypto’s te bekritiseren: geen cashflow, geen intrinsieke waarde, geen productiviteit.
En toch is het interessant dat goud, ondanks diezelfde kritiek, een heel andere status heeft. Niet omdat het rationeler is, maar omdat het een lange geschiedenis heeft als sociaal contract. Goud wordt al eeuwen geaccepteerd als waardeopslag, ook door staten zelf. Crypto probeert dat contract nog te vestigen; goud is dat contract al.
De recente prijsstijging heeft ook een geopolitieke kant. Steeds meer landen — vooral buiten het Westen — bouwen hun goudreserves uit. Niet omdat goud opeens rendabeler is geworden, maar omdat het politiek neutraal is. Geen sanctierisico. Geen afhankelijkheid van dollars of euro’s. Geen tegenpartij.
Dat brengt ons terug bij die Zwitserse berg. Goud ligt daar niet omdat het slim is, of efficiënt, of modern. Het ligt daar omdat het geen belofte nodig heeft. En in een wereld waarin steeds meer waarde gebaseerd is op vertrouwen in systemen, instellingen en toekomstverwachtingen, blijkt dat soms genoeg.
De goudprijs stijgt dus niet omdat goud beter wordt. Hij stijgt omdat onzekerheid dat wél doet. Goud is geen investering in groei, maar een verzekering tegen het falen van alles wat groei belooft.
En misschien is dat precies waarom we het, na al die tijd, nog steeds in een Zwitserse berg bewaren.